Inleiding
Met zijn prejudiciële beslissing van 24 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:714) heeft de Hoge Raad nadere duidelijkheid gegeven over de toepassing van art. 349a lid 1 Fw in situaties, waarin aan de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) een faillissement is voorafgegaan. Centraal stond de vraag of afdrachten die tijdens een faillissement zijn verricht, kunnen worden aangemerkt als “eerste aflossing” in de zin van deze bepaling, en daarmee kunnen leiden tot een eerdere ingangsdatum van de Wsnp.
Deze uitspraak vormt een belangrijk vervolg op het arrest van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), waarin de Hoge Raad invulling gaf aan het begrip “eerste aflossing” binnen het minnelijke traject.
Juridisch kader
Sinds de wetswijziging per 1 juli 2023 bepaalt art. 349a lid 1 Fw dat de looptijd van de Wsnp (in beginsel anderhalf jaar) kan aanvangen op de dag van de eerste aflossing in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285 lid 1 onder f Fw, indien deze dag eerder ligt dan de datum van de uitspraak tot toelating.
De onderhavige zaak werpt de vraag op hoe deze bepaling moet worden toegepast, indien voorafgaand aan de Wsnp al betalingen hebben plaatsgevonden binnen het kader van een faillissement.
Kernoverwegingen van de Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt op 24 april 2026 dat afdrachten, die tijdens een faillissement zijn verricht, in geval van omzetting van dat faillissement in een Wsnp, onder omstandigheden kunnen worden gelijkgesteld met een eerste aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw.
Daarmee wordt een redelijke wetstoepassing beoogd, waarbij recht wordt gedaan aan de inspanningen van de schuldenaar die al vóór toelating tot de Wsnp ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers zijn geleverd. De Hoge Raad benadrukt dat zowel in faillissement als in een schuldhulpverleningstraject sprake is van afdracht van baten boven het vrij te laten bedrag en van gedragsverplichtingen voor de schuldenaar.
Voorwaarde is wel dat de schuldenaar aannemelijk maakt dat hij zich tijdens het faillissement in voldoende mate heeft ingespannen. Daarbij geldt als maatstaf of de inspanningen vergelijkbaar zijn met die in het kader van de Wsnp van hem worden verlangd, zoals maximale afdrachtcapaciteit en adequate sollicitatie-inspanningen. De rechter dient dit te beoordelen aan de hand van concrete gegevens, mede in het licht van een verklaring of advies van de curator.
Anders oordeelt de Hoge Raad voor de situatie, waarin het faillissement wordt opgeheven wegens gebrek aan baten, waarna de schuldenaar pas later een verzoek tot toelating tot de Wsnp indient.
In dat geval kunnen eerdere afdrachten niet worden aangemerkt als eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw. Doorslaggevend is dat tussen de opheffing van het faillissement en de aanvang van de Wsnp een periode kan liggen, waarin geen sprake is van een gereguleerd traject met afdrachten en verplichtingen. Deze discontinuïteit staat eraan in de weg om de eerdere afdrachten gelijk te stellen met aflossingen in het kader van een buitengerechtelijke regeling.
De Hoge Raad maakt duidelijk dat factoren, zoals de hoogte van het boedelsaldo, de omvang van de schuldenlast en de verhouding daartussen in beginsel niet bepalend zijn voor de toepassing van art. 349a lid 1 Fw.
Wel kunnen dergelijke omstandigheden een rol spelen, indien zij wijzen op verwijtbaar gedrag van de schuldenaar. In dat geval kunnen zij worden betrokken bij de beoordeling van het aanvangsmoment van de Wsnp-termijn of aanleiding geven tot verlenging daarvan.
Ten slotte bevestigt de Hoge Raad dat een verklaring van de curator, dat de mogelijkheden van een faillissementsakkoord zijn onderzocht, kan worden gelijkgesteld met de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 onder f Fw (een bewijs van de schuldhulpverlening dat een buitengerechtelijke schuldregeling is geprobeerd, maar niet is gelukt). Daarmee wordt aangesloten bij bestaande rechtspraak en wordt de praktijk bij omzettingsverzoeken verduidelijkt.
Beschouwing
Deze uitspraak past in de tendens om de Wsnp toegankelijker en effectiever te maken, mede door recht te doen aan reeds geleverde inspanningen van schuldenaren. De Hoge Raad kiest nadrukkelijk voor een functionele benadering van het begrip “eerste aflossing”, waarbij niet de formele context, maar de feitelijke bijdrage aan de gezamenlijke schuldeisers centraal staat.
Tegelijkertijd bewaakt de Hoge Raad de systematiek van de wet door een duidelijke grens te trekken in gevallen waarin de continuïteit tussen faillissement en Wsnp ontbreekt. Daarmee wordt voorkomen dat perioden zonder toezicht of verplichtingen alsnog meetellen voor de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
Voor de praktijk betekent dit arrest dat bij omzetting van faillissement naar Wsnp nadrukkelijk aandacht moet worden besteed aan de documentatie van inspanningen van de schuldenaar gedurende het faillissement. De rol van de curator wordt daarbij belangrijker, nu diens verklaring mede richtinggevend kan zijn voor de beoordeling door de rechter.
Conclusie
De Hoge Raad biedt met deze beslissing belangrijke verduidelijking van art. 349a lid 1 Fw. Afdrachten tijdens faillissement kunnen, bij omzetting naar de Wsnp, leiden tot een vervroegde aanvang van de schuldsaneringsregeling, als de schuldenaar voldoende inspanningen heeft geleverd. In gevallen waarin het faillissement wordt opgeheven en pas later een Wsnp volgt, ontbreekt die mogelijkheid.
De uitspraak onderstreept het belang van continuïteit en inspanning als leidende beginselen binnen het insolventierecht.
Deze blog bevat algemene informatie en is niet gericht op specifieke, individuele gevallen. De informatie uit deze blog kan dan ook niet als juridisch advies worden gekwalificeerd. Mocht u naar aanleiding van deze blog of in het algemeen vragen hebben met betrekking tot uw eigen specifieke situatie, neem dan contact op met een van onze advocaten.
Geschreven door
Marjolein Gresnigt
april 2026