Vakantieperikelen

1 augustus, 2019 | geen reacties

In deze periode van vakanties is het wellicht raadzaam om eens te kijken naar de reguliere opbouw van vakantiedagen, maar ook naar de verjaring. Bij de verjaring dient dan onderscheid te worden gemaakt naar wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Jaarlijks krijgen wij daarover de nodige vragen, al dan niet in het kader van een eindafrekening van de arbeidsovereenkomst, of na een periode van langdurige ziekte.

In zijn algemeenheid geldt dat vakantiedagen worden opgebouwd tijdens het dienstverband. Opbouw vindt daarbij in beginsel plaats over alle dagen waarover de werknemer recht op loon heeft.

Er zijn daarop in artikel 7:635 BW een aantal uitzonderingen opgenomen. Denk aan de situatie van het langdurig zorgverlof, of een onbetaalde vakantie. Maar ook aan de opbouw tijdens het genieten van een zwangerschaps- en bevallingsverlof, het adoptieverlof en het pleegzorgverlof.

(Boven)wettelijke vakantiedagen

Er zijn veel werknemers die recht hebben op meer vakantiedagen dan het wettelijk minimum. Het wettelijke minimum bedraagt viermaal de bedongen arbeidsduur per week. Dit zijn de wettelijke vakantiedagen. Alle dagen boven dat wettelijke minimum zijn de bovenwettelijke vakantiedagen.

De werkgever moet een werknemer elk jaar in de gelegenheid stellen, op grond van artikel 7:638 BW, tenminste het wettelijk aantal vakantiedagen op te nemen.

Verjaring

Voor wettelijke vakantiedagen geldt een vervaltermijn van zes maanden op grond van artikel 7:640a BW. Dit artikel is geïntroduceerd om zogenaamde ‘stuwmeren’ van vakantiedagen aan de zijde van de werknemer te voorkomen. Hierbij geldt dus praktisch gezien dat de wettelijke vakantiedagen, opgebouwd in het (kalender)jaar 2018, vóór 1 juli 2019 opgenomen dienen te zijn. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen geldt overigens een verjaringstermijn van vijf jaar.

Er zijn naar aanleiding van deze algemene opmerkingen dus een aantal aandachtspunten te formuleren:

Ook vanwege de verschillende verjaringstermijnen is het als werkgever inderdaad zaak om een deugdelijke vakantiedagenadministratie bij te houden, waarbij onderscheid wordt gemaakt in wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. In zijn algemeenheid geldt daarbij dat als een werknemer in het voorjaar van 2019 opneemt, eerst de wettelijke vakantiedagen over 2018 (die dus in beginsel per 1 juli 2019 zouden vervallen) worden opgenomen.

Overigens geldt wel dat de vervaltermijn van zes maanden niet door de werkgever mag worden ingeroepen als de wettelijke vakantiedagen weliswaar zijn opgebouwd, maar de werknemer deze niet in redelijkheid heeft kunnen opnemen. Het mag duidelijk zijn dat werkgever en werknemer nog al eens discussiëren over de vraag of daarvan sprake is. Het enkele feit dat een werknemer arbeidsongeschikt is, is daarvoor in ieder geval niet toereikend. De werknemer moet deze onmogelijkheid van het kunnen opnemen ook eventueel nader onderbouwen, al dan niet met bewijsstukken.

Veelal moet je dan denken aan aanvullende omstandigheden rondom deze arbeidsongeschiktheid. Denk aan de situatie van volledige arbeidsongeschiktheid van een werknemer of een werknemer die is vrijgesteld van de plicht om te re-integreren. In de rechtspraak wordt ook wel eens gesproken over een situatie waarin de werknemer “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” heeft. Mocht van een dergelijke situatie sprake zijn, dan vervallen dagen na zes maanden, maar geldt de algemene verjaringstermijn van vijf jaar.

Tijdens ziekte moet je ook gewoon vakantiedagen op kunnen nemen. Een vakantie kan zelfs goed zijn voor het herstel. Het is ook in deze situatie dan zo dat je aan de werkgever toestemming vraagt voor deze vakantie. Soms kan het wel zo zijn dat een werkgever aan de bedrijfsarts advies vraagt of er medisch gezien bezwaren zijn tegen de gewenste vakantie. Deze genoten vakantiedagen (tijdens een periode van ziekte) worden ook van het saldo aan vakantiedagen afgeboekt.

Uitbetaling

Met betrekking tot het uitbetalen van vakantiedagen geldt dat een werkgever en werknemer niet mogen afspreken dat de niet genoten wettelijke vakantiedagen worden uitbetaald aan het einde van het jaar waarin ze worden opgebouwd. Het is namelijk de bedoeling dat werknemer ook daadwerkelijk vakantie geniet. Wél is het mogelijk om af te spreken dat de bovenwettelijke vakantiedagen zullen worden uitbetaald op grond van artikel 7:640 lid 2 BW.

Deze blog bevat algemene informatie en is niet gericht op specifieke, individuele gevallen. De informatie uit deze blog kan dan ook niet als juridisch advies worden gekwalificeerd. Mocht u naar aanleiding van deze blog of in het algemeen vragen hebben met betrekking tot uw eigen specifieke situatie, neem dan contact op met een van onze advocaten.

Reageren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *