Robers Advocaten. Maakt ondernemen gemakkelijker.

Doorstart uit faillissement: geen adviesrecht Ondernemingsraad

28 juni, 2016 | geen reacties

Recent is er meer duidelijkheid gekomen over de adviesrol van de Ondernemingsraad bij faillissementen. Een recente uitspraak van de Ondernemingskamer in Amsterdam heeft deze duidelijkheid gegeven.

Kwestie: Drogisterij DA ging op enig moment, na een periode van (voorlopige) surseance van betaling, failliet. De curatoren besloten de al tijdens de surseance gestarte onderhandelingen voort te zetten en besloten tot een doorstart, maar vroegen de Ondernemingsraad (hierna: OR) niet om advies. De doorstart ging gepaard met een fors banenverlies en de overgebleven werknemers moesten bovendien akkoord gaan met een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden.

De OR wendde zich vervolgens tot de Ondernemingskamer omdat zij slechts waren geïnformeerd in hoofdlijnen. Volgens de OR had advies moeten worden gevraagd op grond van artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Het feit dat er sprake was van een faillissement maakt dat niet anders, aldus de OR. Dit omdat er naar hun mening sprake was van een “voorgenomen” besluit op de beëindiging van (een belangrijk deel van) de werkzaamheden van de onderneming of de overdracht van (een deel van) de zeggenschap van de onderneming.

Naar de mening van de Ondernemingskamer was dit niet noodzakelijk. Het adviesrecht van een Ondernemingsraad is namelijk “in beginsel onverenigbaar” met de rol van de curator in een faillissement. Overigens stelt de Ondernemingskamer ook vast dat de wet, de rechtspraak en de parlementaire geschiedenis ook geen handvat bieden over de toepasselijkheid van artikel 25 WOR in het geval van een faillissement.

Daartoe worden een aantal argumenten aangedragen door de Ondernemingskamer.

  1. Een OR komt geen adviesrecht toe ten aanzien van een faillissementsaanvraag. Een OR heeft dat adviesrecht ook niet in een faillissement;
  2. Een evt. advies van de OR had hoe dan ook niet van wezenlijke invloed kunnen zijn op het besluit;
  3. De onderneming werd niet door de curator voortgezet of in stand gehouden. Het adviesrecht van de OR is juist gegeven vanuit de toekomstgedachte. Het gaat dus ook uit van het bestaan van een onderneming, of de voortzetting daarvan.

Bij deze uitspraak zijn echter ook weer een aantal opmerkingen te maken.

I.    Op 22 maart 2016 stelde de SER zich nog op het standpunt dat artikel 25 WOR onverkort van toepassing is in een faillissementssituatie;

II.  Op 22 juni 2016 heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen op grond waarvan curatoren in de ‘stille voorbereidingsfase’ worden
verplicht de OR of  de personeelsvertegenwoordiging te informeren en te horen. Ook krijgen werknemers het recht om iemand aan te wijzen die
zitting kan nemen in de commissie van schuldeisers. Hierover zal ik in een latere blog vertellen.

BREAKING NEWS: ASSCHER PAST WWZ AAN

21 april, 2016 | geen reacties

Minister Asscher heeft vanochtend in een persconferentie een aantal aanpassingen van de Wet Werk en Zekerheid gepresenteerd. Het kabinet heeft hierover overeenstemming bereikt met de coalitiepartners en de sociale partners. Het totale pakket met arbeidsmaatregelen is vanochtend naar de Tweede Kamer verzonden.

De belangrijkste voorstellen zijn:

Afwijking van de ketenbepaling bij cao: voor werknemers die vanwege natuurlijke of klimatologische omstandigheden maximaal negen maanden per jaar aan het werk kunnen, mag de tussenpoos in de ketenbepaling bij cao op ten hoogste drie maanden worden gesteld in plaats van de wettelijke zes maanden.
Transitievergoeding na 2 jaar ziekte: werknemers die langdurig ziek zijn, houden recht op een transitievergoeding, maar hun werkgever wordt door het UWV gecompenseerd uit het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf). Hier zal een verhoging van de (uniforme) premie tegenover staan.

Klik hier voor het persbericht en hier voor de kamerbrief, hier voor de brief van de STAR en hier voor het rapport van de verkenner.

(Bron: VAAN bericht d.d. 21/4/2016)

 

GEWIJZIGDE BESTEMMING WINKELCOMPLEX

19 april, 2016 | geen reacties

290-BEDRIJFSRUIMTE HUURRECHT: GEWIJZIGDE BESTEMMING WINKELCOMPLEX: GEEN MOGELIJKHEDEN OM EEN HUUROVEREENKOMST TE VERNIETIGEN WEGENS DWALING EN ONVOORZIENE OMSTANDIGHEDEN DAN WEL TE ONTBINDEN WEGENS TOEREKENBARE TEKORTKOMING

Huurster tekent in 2004 een intentieverklaring voor het huren van 4 units in een nog te ontwikkelen winkelcomplex. In 2009 wordt het winkelcomplex opgeleverd en worden 4 huurovereenkomsten gesloten, welke 1 juli 2009 als ingangsdatum hebben en voor 10 jaar worden aangegaan.

Eind december 2010 laat huurster verhuurder weten dat haar huurgenot ernstig wordt beperkt nu de naastgelegen winkelunits niet zijn verhuurd. Huurster meent allereerst dat zij op basis van hetgeen verhuurder ten tijde van het tot stand komen van de 4 huurovereenkomsten aan huurster heeft medegedeeld, ervan uit mocht gaan dat de naastgelegen units verhuurd zouden zijn. Ook is huurster van mening dat verhuurder onvoldoende inspanningen heeft verricht om de andere units te verhuren. Partijen raken in een impasse en huurster start een procedure. lees meer →

Hof van Justitie EU: vrije keuze van advocaat geldt ook voor niet-gerechtelijke administratieve procedure UWV

13 april, 2016 | geen reacties

In navolging van hetgeen de Hoge Raad reeds  in haar oordeel van 3 oktober 2014 vermoedde, oordeelt het Hof van Justitie EU dat ook de administratieve procedure bij het UWV onder de vrije keuze van rechtsbijstand van een verzekerde valt (art. 4:67 Wft). De stelling van de rechtsbijstandverlener dat de richtlijn bedoeld is voor administratieve zaken voor een (bestuurs)rechter en derhalve niet ‘gewone bestuurszaken’, wordt door het Hof niet gedeeld. Met andere woorden: een rechtsbijstandverzekerde heeft ook de vrije keuze van rechtsbijstand in ontslagprocedures bij het UWV, etc.

Wel brengt het Hof de nuancering uit het Sneller-arrest in herinnering: verzekeraars mogen – binnen zekere grenzen – voorwaarden stellen aan de inzet van advocaten/derden. Dat gebeurt ook reeds in de praktijk. Er worden bijvoorbeeld maximale vergoedingen geboden voor de externe ingeschakelde advocaat. Het meerdere komt alsdan voor rekening van de verzekerde zelf.

 

Einde inzet payrollers bij de Rijksoverheid

22 december, 2015 | geen reacties

Op 1 november jl. is de circulaire ‘Toepassing Wet Werk & Zekerheid’ bij de Rijksoverheid in werking getreden. Op basis van deze circulaire mag payrolling na 1 mei 2016 niet meer voorkomen bij de Rijksoverheid. Bovendien is ook het oneigenlijk gebruik van tijdelijke aanstellingen en uitzendcontracten bij de Rijksoverheid niet meer toegestaan.

 

De grondgedachte blijft dat de inzet van flexibele contracten beperkt moet blijven tot daadwerkelijk tijdelijke werkzaamheden. Hierbij moet gedacht worden aan vervanging van ziek personeel. Structurele werkzaamheden moeten dus worden verricht op basis van een aanstelling tot ambtenaar.

 

De uitkomst van deze circulaire is bovendien dat payrollwerknemers, die structurele werkzaamheden verrichten, uiteraard ook door het Rijk in dienst moeten worden genomen. Dat geldt in ieder geval voor de payrollwerknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

 

Het bovenstaande is naar mijn mening in lijn met uitspraken van minister Asscher over het nieuwe ontslagrecht, zoals dat vanaf 1 juli 2015 geldt. Het is de taak van werkgevers om hun verantwoordelijkheid te nemen richting de mensen met tijdelijke contracten. De Rijksoverheid lijkt in ieder geval het goede voorbeeld te willen geven.

De transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid: bezint eer ge begint!

17 december, 2015 | geen reacties

Sinds 1 juli 2015 kennen wij, vanwege de invoering van de Wet Werk & Zekerheid, de zogenaamde transitievergoeding. Kort gezegd houdt dit in dat een ontslagvergoeding dient te worden voldaan bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, tenminste als deze arbeidsovereenkomst 24 maanden of langer heeft geduurd.

In dat kader geldt dat een transitievergoeding ook moet worden betaald door de werkgever als hij tot het einde van de arbeidsovereenkomst moet besluiten nadat een werknemer 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit stuit op veel weerstand en het leidt voor veel ondernemers tot extra kosten, waarmee geen rekening is gehouden.

Een veel toegepaste truc is inmiddels het “gewoon” in dienst houden van de zieke werknemer. Er ontstaat daardoor een soort slapend dienstverband. Deze truc is echter niet zonder risico’s. Zo heeft Minister Asscher laten weten dat het onbetaald in dienst houden van een werknemer om onder een transitievergoeding uit te komen niet getuigt van fatsoenlijk werkgeverschap. Nadere maatregelen achtte de minister echter niet nodig om deze praktijk te voorkomen, aangezien de werknemer uiteraard ook zelf om ontbinding kan verzoeken. Mocht de rechter in een dergelijk geval oordelen dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, dan heeft de werknemer alsnog recht op de transitievergoeding, terwijl daarnaast ook nog aanspraak bestaat op een billijke vergoeding.

Dit geluid sijpelt ook door in de rechtspraak. Tegelijkertijd gaf de kantonrechter in Almere op 2 december jl. toch aan dat het enkel in stand houden van de arbeidsovereenkomst vanwege het niet willen betalen van een transitievergoeding weliswaar onfatsoenlijk was, maar niet was te kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De door de werknemer gevorderde vergoedingen (transitievergoeding en billijke vergoeding) werden afgewezen.

Kortom, als werkgever dient u zich bewust te zijn van de risico’s van het toepassen van een dergelijke truc. Indien de rechter het handelen van de werkgever beschouwt als ernstig verwijtbaar, kan het zelfs leiden tot hogere kosten. Aan een werknemer kan dan – naast de transitievergoeding – ook een de billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen worden toegewezen, naast natuurlijk de kosten van de procedure.

 

Page 5 of 10« First...«34567»...Last »