Robers Advocaten. Maakt ondernemen gemakkelijker.

Sluiting pizzeria en 30 ontslagen: geen reden om van handhaving af te zien

2 september, 2016 | geen reacties

Aan de Houtmarkt in Deventer wordt een vestiging van de bekende bezorgketen New York Pizza Delivery geëxploiteerd. Deze bevindt zich op de begane grond van een appartementencomplex. Volgens een aantal omwonenden leidt de pizzabroodlucht tot onaanvaardbare geurhinder. Zij vragen de gemeente om daartegen handhavend op te treden. Naar aanleiding daarvan legt het college van burgemeester en wethouders aan de exploitant van de pizzeria een last onder dwangsom op van € 50.000,–. Dit bedrag wordt vervolgens ook ingevorderd.

De pizzeria voert onder meer aan dat handhaving in dit geval onevenredig is. Volgens haar staat de door de omwonenden ervaren geurhinder niet in verhouding tot de gevolgen van handhaving, namelijk sluiting van de zaak en 30 werknemers die op staat komen te staan. Daarom zou in dit geval van handhaving moeten worden afgezien. Gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) daarin mee?

Nee, aldus de uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2222). Allereerst overweegt de Afdeling dat de dwangsom terecht is opgelegd. Daarbij is (onder meer) van belang dat de pizzeria niet over een doelmatige ontgeuringsinstallatie beschikt. Dat is in strijd met de regels uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.

Volgens vaste rechtspraak moet in beginsel handhavend worden opgetreden als sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het gemeentebestuur worden gevergd dit niet te doen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer handhaving in een bepaald geval zo onevenredig is in verhouding tot het belang bij handhaving, dat daarvan behoort te worden afgezien.

In dit geval acht de Afdeling handhaving niet onevenredig. De stelling van de pizzeria dat de ervaren geurhinder niet in verhouding staat tot sluiting van de zaak, volgt de Afdeling niet. Daarbij is voor de Afdeling van belang dat de geurhinder die de pizzeria veroorzaakt onaanvaardbaar is. Bovendien noodzaakt de last onder dwangsom niet tot sluiting van de pizzeria, maar houdt deze in dat de pizzeria geuroverlast moet voorkomen. Dit zijn twee verschillende dingen. Met andere woorden: de (mogelijke) sluiting van de pizzeria met daarbij behorende personele consequenties had niet het gevolg hoeven zijn van de last onder dwangsom. Dat de pizzeria het zover heeft laten komen komt voor zijn eigen rekening en risico.

Ook het betoog van de pizzeria dat de dwangsom van € 50.000,– onredelijk hoog is slaagt niet. De financiële omstandigheden tot wie de last is gericht, zoals het bedrijfsresultaat, zijn niet bepalend voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Het gaat om de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging (ECLI:NL:RVS:2003:AN9765).

Pokémon Go

4 augustus, 2016 | geen reacties

Nintendo heeft recent Pokémon Go voor de smartphone uitgebracht. Ineens is deze mobiele game waanzinnig populair geworden. Maar er zijn ook keerzijden. Het allereerste ontslag wegens Pokémon Go is een feit.

 

Een buschauffeur uit Ridderkerk werd namelijk 26 juli jl. op staande voet ontslagen omdat hij Pokémon Go speelde achter het stuur en daarbij werd gefilmd door een passagier. In het filmpje is te zien hoe de chauffeur druk bezig is met zijn telefoon terwijl de bus tussen Leiden en Alphen aan den Rijn rijdt. Het gaat hier uiteraard om gevaarlijk gedrag voor zichzelf en anderen, welke juist in zijn functie als buschauffeur ontoelaatbaar werd geacht.

 

Maar hoe ga je als werkgever in zijn algemeenheid om met werknemers welke de “regels aan hun laars lappen”? Direct tot dergelijke drastische maatregelen van een ontslag op staande voet overgaan, zou ik willen afraden. Ik zou in zijn algemeenheid de volgende tips mee willen geven.

 

  1. Zorg altijd voor duidelijke regels in de arbeidsovereenkomst, een personeelshandboek of een bedrijfsreglement. Het moet voor de werknemer duidelijk zijn wat van hem verwacht wordt;
  2. Ga in gesprek met werknemer. Bespreek de problematiek en mogelijke oplossingen, juist indachtig de duidelijke regels.
  3. Maakt dit gesprek c.q. gesprekken geen verschil dan kan een schriftelijke waarschuwing worden gegeven. Het moet werknemer duidelijk zijn dat dit niet getolereerd wordt.
  4. Mocht de waarschuwing geen effect hebben, dan volgen meerdere waarschuwingen/ gesprekken.
  5. Uiteraard wordt alles schriftelijk vastgelegd, zodat er uiteindelijk sprake is van een voldoende dossier voor ontslag.

Malafide bestuurders aangepakt: het bestuursvrbod

4 augustus, 2016 | geen reacties

Vanaf 1 juli 2016 heeft de curator een nieuw wapen in de strijd tegen faillissementsfraude. Op grond van een wijziging in de Faillissementswet kan de curator (of het Openbaar Ministerie) namelijk vorderen dat een malafide bestuurder of feitelijk beleidsbepaler gedurende maximaal vijf jaar geen bestuurder of commissaris meer mag zijn van een BV, een NV, een stichting of een vereniging.

Voor het uitspreken van een bestuursverbod is vereist dat een bestuurder aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement wegens onbehoorlijk bestuur, doelbewust handelingen heeft verricht waardoor schuldeisers aanmerkelijk zijn benadeeld dan wel ernstig tekortschiet in het geven van informatie en medewerking aan de curator. Ook als de bestuurder voor een tweede keer (of vaker) betrokken is bij een faillissementen waarin hem/haar een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, kan het bestuursverbod worden uitgesproken. Tot slot kunnen vergrijpboetes die zijn opgelegd wegens valse of foutieve belastingaangiftes een aanleiding zijn voor het uitspreken van een bestuursverbod.

Het bestuursverbod wordt gepubliceerd in het handelsregister en is dus openbaar. Een benoeming tot bestuurder ondanks een bestuursverbod is nietig, maar de rechter kan naleving van het bestuursverbod verder waarborgen door een dwangsom op te leggen.

Hoewel curatoren hiermee een extra middel in handen krijgen om malafide praktijken tegen te gaan, is de verwachting dat het bestuursverbod toch met enige terughoudendheid zal worden uitgesproken. Met het ‘schandpaaleffect’ moet een rechter immers voorzichtig zijn. Hopelijk is de mogelijkheid van de schandpaal afschrikwekkend genoeg.

De stille curator; wettelijke grondslag en informatie aan werknemers

1 juli, 2016 | geen reacties

Op 21 juni 2016 ging de Tweede Kamer akkoord met een aanpassing van de Faillissementswet waardoor de zogenaamde “stille curator” ook een wettelijke basis heeft gekregen. Er is daarbij aangesloten bij de werkwijze van de meeste rechtbanken in Nederland.

Door de aanstelling van een “stille curator” bij een (dreigend) faillissement kan in het algemeen de schade worden beperkt bij klanten, werknemers en schuldeisers. Deze werkwijze is dan ook uit de praktijk voortgekomen.

De stille curator laat zich vervolgens door de ondernemer voorlichten. Wat staat hem te wachten bij een faillissement? Wat zijn de mogelijkheden voor een doorstart? Bij een (uiteindelijk) faillissement kan er dan vervolgens snel gehandeld worden.

Voor de arbeidsrechtpraktijk is het daarbij van belang dat door een amendement van 10 juni 2016 ook is opgenomen in deze wijziging van de Faillissementswet dat werknemers (door middel van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging) dienen te worden geïnformeerd als een faillissement wordt voorbereid. Uiteraard kan dat alleen als de leden van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging zich volledig conformeren aan geheimhouding!

Daarnaast wordt voor de faillissementsfase geregeld dat een vertegenwoordiger van de werknemers zal worden benoemd als lid van de voorlopige commissie van schuldeisers die door de rechtbank wordt ingesteld bij faillietverklaring. Deze vertegenwoordiger kan de curator via deze commissie adviseren. Hiermee krijgen de werknemers dus ook daadwerkelijk een stem bij een faillissement van hun werkgever!!

 

Doorstart uit faillissement: geen adviesrecht Ondernemingsraad

28 juni, 2016 | geen reacties

Recent is er meer duidelijkheid gekomen over de adviesrol van de Ondernemingsraad bij faillissementen. Een recente uitspraak van de Ondernemingskamer in Amsterdam heeft deze duidelijkheid gegeven.

Kwestie: Drogisterij DA ging op enig moment, na een periode van (voorlopige) surseance van betaling, failliet. De curatoren besloten de al tijdens de surseance gestarte onderhandelingen voort te zetten en besloten tot een doorstart, maar vroegen de Ondernemingsraad (hierna: OR) niet om advies. De doorstart ging gepaard met een fors banenverlies en de overgebleven werknemers moesten bovendien akkoord gaan met een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden.

De OR wendde zich vervolgens tot de Ondernemingskamer omdat zij slechts waren geïnformeerd in hoofdlijnen. Volgens de OR had advies moeten worden gevraagd op grond van artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Het feit dat er sprake was van een faillissement maakt dat niet anders, aldus de OR. Dit omdat er naar hun mening sprake was van een “voorgenomen” besluit op de beëindiging van (een belangrijk deel van) de werkzaamheden van de onderneming of de overdracht van (een deel van) de zeggenschap van de onderneming.

Naar de mening van de Ondernemingskamer was dit niet noodzakelijk. Het adviesrecht van een Ondernemingsraad is namelijk “in beginsel onverenigbaar” met de rol van de curator in een faillissement. Overigens stelt de Ondernemingskamer ook vast dat de wet, de rechtspraak en de parlementaire geschiedenis ook geen handvat bieden over de toepasselijkheid van artikel 25 WOR in het geval van een faillissement.

Daartoe worden een aantal argumenten aangedragen door de Ondernemingskamer.

  1. Een OR komt geen adviesrecht toe ten aanzien van een faillissementsaanvraag. Een OR heeft dat adviesrecht ook niet in een faillissement;
  2. Een evt. advies van de OR had hoe dan ook niet van wezenlijke invloed kunnen zijn op het besluit;
  3. De onderneming werd niet door de curator voortgezet of in stand gehouden. Het adviesrecht van de OR is juist gegeven vanuit de toekomstgedachte. Het gaat dus ook uit van het bestaan van een onderneming, of de voortzetting daarvan.

Bij deze uitspraak zijn echter ook weer een aantal opmerkingen te maken.

I.    Op 22 maart 2016 stelde de SER zich nog op het standpunt dat artikel 25 WOR onverkort van toepassing is in een faillissementssituatie;

II.  Op 22 juni 2016 heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen op grond waarvan curatoren in de ‘stille voorbereidingsfase’ worden
verplicht de OR of  de personeelsvertegenwoordiging te informeren en te horen. Ook krijgen werknemers het recht om iemand aan te wijzen die
zitting kan nemen in de commissie van schuldeisers. Hierover zal ik in een latere blog vertellen.

BREAKING NEWS: ASSCHER PAST WWZ AAN

21 april, 2016 | geen reacties

Minister Asscher heeft vanochtend in een persconferentie een aantal aanpassingen van de Wet Werk en Zekerheid gepresenteerd. Het kabinet heeft hierover overeenstemming bereikt met de coalitiepartners en de sociale partners. Het totale pakket met arbeidsmaatregelen is vanochtend naar de Tweede Kamer verzonden.

De belangrijkste voorstellen zijn:

Afwijking van de ketenbepaling bij cao: voor werknemers die vanwege natuurlijke of klimatologische omstandigheden maximaal negen maanden per jaar aan het werk kunnen, mag de tussenpoos in de ketenbepaling bij cao op ten hoogste drie maanden worden gesteld in plaats van de wettelijke zes maanden.
Transitievergoeding na 2 jaar ziekte: werknemers die langdurig ziek zijn, houden recht op een transitievergoeding, maar hun werkgever wordt door het UWV gecompenseerd uit het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf). Hier zal een verhoging van de (uniforme) premie tegenover staan.

Klik hier voor het persbericht en hier voor de kamerbrief, hier voor de brief van de STAR en hier voor het rapport van de verkenner.

(Bron: VAAN bericht d.d. 21/4/2016)

 

Page 5 of 10« First...«34567»...Last »