Robers Advocaten. Maakt ondernemen gemakkelijker.

Transitievergoeding na 104 weken arbeidsongeschiktheid?! De langverwachte wetgeving?

18 november, 2016 | geen reacties

Zelfs na 104 (!) weken arbeidsongeschiktheid van een werknemer, dient een werkgever op dit moment bij het einde van het contract met deze arbeidsongeschikte werknemer een transitievergoeding te betalen. Niet zo vreemd misschien dat sommige werkgevers hierdoor besloten om de dienstverbanden uitsluitend formeel in stand te laten, zodat ze geen transitievergoeding hoefden te betalen. Het gaat hier om zogenaamde “slapende” dienstverbanden.

 

Minister Asscher heeft in april 2016 aangekondigd dat hij iets zou doen aan deze regelgeving. Dat is inderdaad gebeurd. Er ligt inmiddels een concept wetsvoorstel klaar dat met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 in werking zou moeten treden.

 

Het wetsvoorstel komt er op neer dat een werkgever nog steeds een transitievergoeding dient te voldoen, ook na 104 weken arbeidsongeschiktheid, maar dat de werkgever wordt gecompenseerd voor de kosten van deze transitievergoeding. Deze compensatie wordt door het UWV verstrekt uit het Algemeen Werkeloosheidsfonds (Awf). Hiervoor is wel noodzakelijk dat er een verhoging van de premie plaatsvindt.

 

Het achterliggende idee van het wetsvoorstel is dat een werkgever niet zou moeten worden gestraft door hem én het loon tijdens de ziekte én ook nog eens de transitievergoeding te laten betalen. Het maakt bovendien niet uit hoe de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dat kan uiteraard door middel van een UWV procedure, een procedure bij de rechter, maar ook een vaststellingsovereenkomst is in dat kader voldoende. Wel geldt dat het UWV nooit méér zal vergoeden dan het bedrag waar de werknemer volgens de wettelijke berekening recht op had.

 

De eerste geluiden zijn dat deze wetgeving per 1 januari 2018 een feit zal zijn, maar wel met de genoemde terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. Het is dus van belang om alle administratie met betrekking tot het ontslag van de arbeidsongeschikte werknemer en de te betalen transitievergoeding goed te bewaren.

 

Zodra er meer bekend is over deze wetgeving, zal ik hier in een volgende blog aandacht aan besteden.

Voldoen aan geluidsnorm betekent niet automatisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat

11 oktober, 2016 | geen reacties

Als aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan betekent dat niet automatisch dat geen sprake kan zijn van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Dit vergt een afzonderlijke beoordeling. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2466). In die zaak overweegt de Afdeling dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de invloed van de geluidsproductie van de exploitatie van een sporthal op de woon- en leefsituatie in de omgeving. Dat aan bepaalde geluidsnormen wordt voldaan maakt dat niet anders.

Sluiting pizzeria en 30 ontslagen: geen reden om van handhaving af te zien

11 oktober, 2016 | 1 reactie

Aan de Houtmarkt in Deventer wordt een vestiging van de bekende bezorgketen New York Pizza Delivery geëxploiteerd. Deze bevindt zich op de begane grond van een appartementencomplex. Volgens een aantal omwonenden leidt de pizzabroodlucht tot onaanvaardbare geurhinder. Zij vragen de gemeente om daartegen handhavend op te treden. Naar aanleiding daarvan legt het college van burgemeester en wethouders aan de exploitant van de pizzeria een last onder dwangsom op van € 50.000,–. Dit bedrag wordt vervolgens ook ingevorderd.

De pizzeria voert onder meer aan dat handhaving in dit geval onevenredig is. Volgens haar staat de door de omwonenden ervaren geurhinder niet in verhouding tot de gevolgen van handhaving, namelijk sluiting van de zaak en 30 werknemers die op staat komen te staan. Daarom zou in dit geval van handhaving moeten worden afgezien. Gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) daarin mee?

Nee, aldus de uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2222). Allereerst overweegt de Afdeling dat de dwangsom terecht is opgelegd. Daarbij is (onder meer) van belang dat de pizzeria niet over een doelmatige ontgeuringsinstallatie beschikt. Dat is in strijd met de regels uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.

Volgens vaste rechtspraak moet in beginsel handhavend worden opgetreden als sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het gemeentebestuur worden gevergd dit niet te doen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer handhaving in een bepaald geval zo onevenredig is in verhouding tot het belang bij handhaving, dat daarvan behoort te worden afgezien.

In dit geval acht de Afdeling handhaving niet onevenredig. De stelling van de pizzeria dat de ervaren geurhinder niet in verhouding staat tot sluiting van de zaak, volgt de Afdeling niet. Daarbij is voor de Afdeling van belang dat de geurhinder die de pizzeria veroorzaakt onaanvaardbaar is. Bovendien noodzaakt de last onder dwangsom niet tot sluiting van de pizzeria, maar houdt deze in dat de pizzeria geuroverlast moet voorkomen. Dit zijn twee verschillende dingen. Met andere woorden: de (mogelijke) sluiting van de pizzeria met daarbij behorende personele consequenties had niet het gevolg hoeven zijn van de last onder dwangsom. Dat de pizzeria het zover heeft laten komen komt voor zijn eigen rekening en risico.

Ook het betoog van de pizzeria dat de dwangsom van € 50.000,– onredelijk hoog is slaagt niet. De financiële omstandigheden tot wie de last is gericht, zoals het bedrijfsresultaat, zijn niet bepalend voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Het gaat om de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging

(ECLI:NL:RVS:2003:AN9765).

Transformatieproject studentenhuisvesting op bedrijventerrein onderuit

11 oktober, 2016 | geen reacties

 Op 3 december 2015 heeft de gemeenteraad van Leiden het bestemmingsplan “Nova Zembla” vastgesteld. Dit plan maakte het mogelijk om een bestaand bedrijfsgebouw op een bedrijventerrein te transformeren naar ongeveer 80 zelfstandige studentenwoningen. De lokale ondernemersvereniging was tegen het plan en stelde daartegen beroep in. De vereniging vreesde met name dat de komst van studentenhuisvesting de gevestigde bedrijven zou beperken in hun bestaande en toekomstige bedrijfsvoering. Hoe kijkt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) daar tegenaan?

In de uitspraak van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2656) laat de Afdeling niets heel van het bestemmingsplan.

Niet alleen wordt het plan in strijd geacht met provinciale regels, ook is de locatiekeuze voor een woonfunctie op een bedrijventerrein volgens de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Specifiek ten aanzien van de vrees van beperking van de bedrijfsvoering overweegt de Afdeling dat door de raad ontoereikend is gemotiveerd dat met de komst van de studentenwoningen sprake zal zijn van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. In de onderhavige situatie moest van de (milieu)richtafstanden uit de VNG-brochure worden afgeweken. Dat kan alleen als dat zorgvuldig voorbereid en onderbouwd is. De raad is daar volgens de Afdeling niet in geslaagd.

Tot slot nog een opmerking over parkeren. Aangezien het bestemmingsplan na 29 november 2014 (tijdstip inwerkingtreding Reparatiewet BZK 2014) is vastgesteld dient het plan zelf regels te bevatten over parkeren (in plaats van de bouwverordening). In dit geval was dat niet gebeurd. Ook ten aanzien van het parkeeraspect sneuvelt het plan.

Afdeling bestuursrechtspraak geeft college over planschade

3 oktober, 2016 | geen reacties

 In een uitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) geeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een overzicht op hoofdlijnen van haar eerdere rechtspraak over tegemoetkoming in planschade. Het gaat om kwesties die zich in de praktijk van het planschaderecht veelvuldig voordoen. Denk daarbij aan de te maken planologische vergelijking, de invulling van het begrip ‘normaal maatschappelijk risico’ en allerlei procedurele aspecten. Met deze uitspraak wil de Afdeling tegemoet komen aan een in de (rechts)praktijk levende behoefte. Dit bruikbare naslagwerk zal door de praktijk zeker worden toegejuicht.

Voldoen aan geluidsnorm betekent niet automatisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat

3 oktober, 2016 | geen reacties

Als aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan betekent dat niet automatisch dat geen sprake kan zijn van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Dit vergt een afzonderlijke beoordeling. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2466). In die zaak overweegt de Afdeling dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de invloed van de geluidsproductie van de exploitatie van een sporthal op de woon- en leefsituatie in de omgeving. Dat aan bepaalde geluidsnormen wordt voldaan maakt dat niet anders.

 

Page 3 of 10«12345»...Last »