Robers Advocaten. Maakt ondernemen gemakkelijker.

Het deskundigenoordeel bij een in het buitenland woonachtig werknemer

10 april, 2014 | geen reacties

 

Recent heeft het Gerechtshof te Den Bosch (18 februari 2014; JAR 2014/86) zich uitgesproken over de vraag of van een werknemer, werkzaam in Nederland, doch woonachtig in Duitsland, mocht worden verwacht dat hij bij twijfel over zijn arbeidsongeschiktheid een deskundigenoordeel diende te overleggen.

De casus:

Werkgever staakt de loonbetaling van een zieke werknemer. De werknemer stelt in kort geding een loonvordering in. Werknemer wordt bij de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter was namelijk van mening dat de werknemer had nagelaten een zogenaamd deskundigenoordeel te overleggen noodzakelijk voor een oordeel over de wel of niet terechte loonbetaling (artikel 7:629a BW) tijdens ziekte.

 

In hoger beroep oordeelde het Gerechtshof echter dat dat niet kon worden gevergd van deze werknemer welke niet in Nederland woonachtig was. Volgens Europese regelgeving moet een werknemer een bewijs van arbeidsongeschiktheid in zijn woonland (in casu: Duitsland) kunnen aanvragen. Werknemer had in dit geval weliswaar geen in Nederland aangevraagd deskundigenoordeel overgelegd, maar kon volgens het Hof volstaan met het overleggen van diverse verklaringen van Duitse artsen. Het Gerechtshof achtte een en ander toereikend voor een oordeel omtrent de loondoorbetaling.

 

Volgens het Gerechtshof zou het vrije verkeer van werknemers bij een andersluidende uitleg te veel worden beperkt als er te hoge eisen worden gesteld aan het deskundigenoordeel.

 

Een zieke werknemer dient echter wel, zij het op afstand, mee te werken aan “controlevoorschriften aan de zijde van werkgever en op de Arbodienst op straffe van opschorting, dan wel stopzetting van het loon”.

 

 

 

 

“Voorrang” voor de AOW-er bij bedrijfseconomisch ontslag per 1 april 2014

10 april, 2014 | geen reacties

Werknemers met een AOW-uitkering moeten sinds 1 april jl. bij een ontslag vanwege bedrijfseconomische redenen als eerste worden ontslagen. Het zogenaamde afspiegelingbeginsel dat dient te worden gebruikt bij ontslagprocedures bij het UWV, is recent aangepast.

 

De wijziging komt er dus op neer dat vanaf 1 april 2014 binnen een categorie uitwisselbare functies eerst bekeken moet worden of zich daarin AOW-gerechtigde werknemers bevinden. Is dat het geval, dan komen eerst deze AOW-gerechtigde werknemers voor ontslag in aanmerking. Indien vervolgens nog meer werknemers ontslagen moeten worden dan er AOW-gerechtigde werknemers zijn, dan moet op de werknemers die nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt het afspiegelingsbeginsel zoals dat al lange tijd geldt onverkort worden toegepast.

 

Op deze wijze wordt, volgens Minister Asscher voorkomen dat een werknemer die voor zijn inkomen is aangewezen op het verrichten van arbeid plaats moet maken voor een AOW-er voor wie dat niet geldt of slechts deels (besluit 18 februari 2014, Stcrt 2014, 5210).

Tussentijds opzegging huurovereenkomst van bedrijfsruimte

17 februari, 2014 | geen reacties

TUSSENTIJDSE OPZEGGING HUUROVEREENKOMST VAN BEDRIJFSRUIMTE ex artikel 7:290 BW

 feboverdwijntvoorgoedvanstadionplein_1

Een huurovereenkomst ten aanzien van artikel 7:290 BW bedrijfsruimte kan door de verhuurder tegen het einde van de tweede vijfjaarstermijn opgezegd worden op grond van een vijftal opzeggingsgronden. Kort gezegd gaat het om onbehoorlijke bedrijfsvoering, dringend eigen gebruik, een redelijk aanbod voor een nieuwe huurovereenkomst, het verwezenlijken van een bestemmingsplan en een belangenafweging.

In de te bespreken uitspraak (NECLI:NLRBAMS2013:5805) gaat het om het door de gemeente Amsterdam te realiseren “Stadionplein”. De gemeente heeft daartoe een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. In dat bestemmingsplan passen niet de twee FEBO-kiosken, die al sinds de jaren ’70 in het gebied aanwezig zijn. De gemeente Amsterdam zegt vervolgens de twee huurovereenkomsten met de FEBO-kiosken op. Als gronden worden dringend eigen gebruik, het verwezenlijken van een bestemmingsplan en de belangenafweging aangevoerd.

lees meer →

OPNAME VAN BOETEBEDINGEN IN DE HUUROVEREENKOMST

11 oktober, 2013 | geen reacties

OPNAME VAN BOETEBEDINGEN IN DE HUUROVEREENKOMST

Steeds vaker worden in een huurovereenkomst boetebedingen opgenomen. Ook in de ‘standaard ROZ-modellen’ zijn deze geformuleerd. De vraag is echter of opname van een boetebeding in een huurovereenkomst wel het gewenste effect heeft?

Juridische achtergrond

Het boetebeding is opgenomen in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en geldt dan ook niet alleen in kwesties met betrekking tot het Huurrecht, maar in kwesties met een verbintenisrechtelijk karakter in zijn algemeenheid. Artikel 6:91 BW luidt: “Als boetebeding wordt aangeduid ieder beding waarbij is bepaald dat de schuldenaar, indien hij in de nakoming van zijn verbintenis tekortschiet, gehouden is een geldsom of een andere prestatie te voldoen ongeacht of zulks strekt tot vergoeding van de schade of enkel tot aansporing om tot nakoming over te gaan”.

lees meer →

HUUROVEREENKOMST NAAR ZIJN AARD VAN KORTE DUUR

11 oktober, 2013 | 1 reactie

HUUROVEREENKOMST NAAR ZIJN AARD VAN KORTE DUUR

In een huurovereenkomst welke naar zijn aard van korte duur is, dient de ingebruikgeving van het gehuurde gericht te zijn op het kortstondig en bijzonder verblijfsrecht. Zoals het is in geval bij een woningbestand, waar gegevens in opgenomen zijn van personen die verbonden zijn aan een onderwijsinstelling.

De kantonrechter in Eindhoven¹ is van mening dat het bijzondere karakter en het doel van de huurovereenkomst naar zijn aard van korte duur bestaat uit de situatie dat personen uit het buitenland voor de tijd dat zij verbonden zijn aan een onderwijsinstelling gebruik maken van een huurwoning.  Indien deze personen zich na het genoten onderwijs permanent in Nederland willen vestigen, moeten zij vanuit de tijdelijke huurwoning op zoek gaan naar vervangende woonruimte. Bij aanvang van de huurovereenkomst doorkruisen zij immers het reguliere toewijzingssysteem.

lees meer →

AANVANG VERJARINGSTERMIJN VAN AFWIJKEND BEDING IN HUUROVEREENKOMST

11 oktober, 2013 | geen reacties

 

AANVANG VERJARINGSTERMIJN VAN AFWIJKEND BEDING IN HUUROVEREENKOMST

In de huurovereenkomst is door verhuurder een beding opgenomen waarin een nadere huurprijsaanpassing gedurende de eerste optieperiode wordt uitgesloten. Huurprijsaanpassing na tien jaar wordt daarmee uitgesloten.

Partijen hebben in de huurovereenkomst een afwijkend beding opgenomen voor wat betreft het aanpassen van de huurprijs. In het beding wordt overeengekomen dat de huurprijs ook na afloop van tien jaren niet aangepast mag worden. Een dergelijk beding wijkt af van artikel 7:303 lid 1 BW, hetgeen een dwingendrechtelijke bepaling is.

lees meer →

Page 10 of 10« First...«678910