Robers Advocaten. Maakt ondernemen gemakkelijker.

Dwangsom voor eet- en drinkgelegenheid in winkel

17 maart, 2017 | geen reacties

Een kopje koffie drinken in een kledingwinkel of lunchen in de bibliotheek. Het is vandaag de dag geen uitzondering meer. Dit fenomeen wordt ook wel ‘blurring’ (in het Engels letterlijk: vervaging) genoemd. Het is de term voor het mengen van verschillende functies, zoals horeca, detailhandel, cultuur, ontspanning of dienstverlening. Voor ondernemers zijn dit interessante concepten. Niet alleen wordt de consument langer gebonden aan de zaak en daarmee de omzet verhoogd. Ook past dit binnen de huidige trend van de consument die op zoek is naar ‘beleving’.

Echter, het mengen van verschillende functies is lang niet in alle gevallen toegestaan. Dat komt omdat de innovatieve concepten relatief nieuw zijn en bestaande wet- en regelgeving daarop veelal (nog) niet is ingericht. Lokale regelgeving die roet in het eten kan gooien is het bestemmingsplan. Met name oudere bestemmingsplannen laten het mengen van functies niet toe. Dan is het oppassen geblazen: als het concept in strijd is met het bestemmingplan, dan is het gemeentebestuur bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.

Zo ook in een zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:654). Daarin was door de gemeente Amsterdam aan een winkelondernemer een last onder dwangsom opgelegd. In de winkel werden niet alleen vintage design meubels verkocht, maar werd ook koffie geschonken en werden maaltijden aangeboden. Een gemeentelijke toezichthouder had geconstateerd dat er vijf tafels met twintig stoelen aanwezig waren. Dat vond de gemeente Amsterdam teveel. Het horecagebruik moest worden gestaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. De Afdeling bestuursrechtspraak gaf de gemeente Amsterdam uiteindelijk gelijk.

Als het concept van functiemenging niet past binnen het bestemmingsplan, dan is er nog geen man overboord. Er bestaan namelijk verschillende mogelijkheden om van het bestemmingsplan af te wijken. Ook tijdelijk afwijken is mogelijk. Bovendien laten veel nieuwe bestemmingsplannen tegenwoordig binnen de bestemming detailhandel zogeheten ‘winkelondersteunende horeca’ toe. Dit is bij ieder bestemmingsplan echter weer anders.

Tot slot: los van het bestemmingsplan kan ook andere regelgeving een rol spelen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de Winkeltijdenwet, de Drank- en Horecawet en ook de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Mijn tip: mocht u een mengformule overwegen, laat u dan vooraf goed adviseren over de (on)mogelijkheden daarvan. Op die manier kan een handhavingstraject met bijbehorende dwangsommen worden voorkomen.

mr. J. (Jense) Bosma j.bosma@robersadvocaten.nl tel. 074 – 290 91 99

Voldoen aan geluidsnorm betekent niet automatisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat

11 oktober, 2016 | geen reacties

Als aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan betekent dat niet automatisch dat geen sprake kan zijn van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Dit vergt een afzonderlijke beoordeling. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2466). In die zaak overweegt de Afdeling dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de invloed van de geluidsproductie van de exploitatie van een sporthal op de woon- en leefsituatie in de omgeving. Dat aan bepaalde geluidsnormen wordt voldaan maakt dat niet anders.

Sluiting pizzeria en 30 ontslagen: geen reden om van handhaving af te zien

11 oktober, 2016 | 1 reactie

Aan de Houtmarkt in Deventer wordt een vestiging van de bekende bezorgketen New York Pizza Delivery geëxploiteerd. Deze bevindt zich op de begane grond van een appartementencomplex. Volgens een aantal omwonenden leidt de pizzabroodlucht tot onaanvaardbare geurhinder. Zij vragen de gemeente om daartegen handhavend op te treden. Naar aanleiding daarvan legt het college van burgemeester en wethouders aan de exploitant van de pizzeria een last onder dwangsom op van € 50.000,–. Dit bedrag wordt vervolgens ook ingevorderd.

De pizzeria voert onder meer aan dat handhaving in dit geval onevenredig is. Volgens haar staat de door de omwonenden ervaren geurhinder niet in verhouding tot de gevolgen van handhaving, namelijk sluiting van de zaak en 30 werknemers die op staat komen te staan. Daarom zou in dit geval van handhaving moeten worden afgezien. Gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) daarin mee?

Nee, aldus de uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2222). Allereerst overweegt de Afdeling dat de dwangsom terecht is opgelegd. Daarbij is (onder meer) van belang dat de pizzeria niet over een doelmatige ontgeuringsinstallatie beschikt. Dat is in strijd met de regels uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.

Volgens vaste rechtspraak moet in beginsel handhavend worden opgetreden als sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het gemeentebestuur worden gevergd dit niet te doen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer handhaving in een bepaald geval zo onevenredig is in verhouding tot het belang bij handhaving, dat daarvan behoort te worden afgezien.

In dit geval acht de Afdeling handhaving niet onevenredig. De stelling van de pizzeria dat de ervaren geurhinder niet in verhouding staat tot sluiting van de zaak, volgt de Afdeling niet. Daarbij is voor de Afdeling van belang dat de geurhinder die de pizzeria veroorzaakt onaanvaardbaar is. Bovendien noodzaakt de last onder dwangsom niet tot sluiting van de pizzeria, maar houdt deze in dat de pizzeria geuroverlast moet voorkomen. Dit zijn twee verschillende dingen. Met andere woorden: de (mogelijke) sluiting van de pizzeria met daarbij behorende personele consequenties had niet het gevolg hoeven zijn van de last onder dwangsom. Dat de pizzeria het zover heeft laten komen komt voor zijn eigen rekening en risico.

Ook het betoog van de pizzeria dat de dwangsom van € 50.000,– onredelijk hoog is slaagt niet. De financiële omstandigheden tot wie de last is gericht, zoals het bedrijfsresultaat, zijn niet bepalend voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Het gaat om de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging

(ECLI:NL:RVS:2003:AN9765).

Transformatieproject studentenhuisvesting op bedrijventerrein onderuit

11 oktober, 2016 | geen reacties

 Op 3 december 2015 heeft de gemeenteraad van Leiden het bestemmingsplan “Nova Zembla” vastgesteld. Dit plan maakte het mogelijk om een bestaand bedrijfsgebouw op een bedrijventerrein te transformeren naar ongeveer 80 zelfstandige studentenwoningen. De lokale ondernemersvereniging was tegen het plan en stelde daartegen beroep in. De vereniging vreesde met name dat de komst van studentenhuisvesting de gevestigde bedrijven zou beperken in hun bestaande en toekomstige bedrijfsvoering. Hoe kijkt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) daar tegenaan?

In de uitspraak van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2656) laat de Afdeling niets heel van het bestemmingsplan.

Niet alleen wordt het plan in strijd geacht met provinciale regels, ook is de locatiekeuze voor een woonfunctie op een bedrijventerrein volgens de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Specifiek ten aanzien van de vrees van beperking van de bedrijfsvoering overweegt de Afdeling dat door de raad ontoereikend is gemotiveerd dat met de komst van de studentenwoningen sprake zal zijn van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. In de onderhavige situatie moest van de (milieu)richtafstanden uit de VNG-brochure worden afgeweken. Dat kan alleen als dat zorgvuldig voorbereid en onderbouwd is. De raad is daar volgens de Afdeling niet in geslaagd.

Tot slot nog een opmerking over parkeren. Aangezien het bestemmingsplan na 29 november 2014 (tijdstip inwerkingtreding Reparatiewet BZK 2014) is vastgesteld dient het plan zelf regels te bevatten over parkeren (in plaats van de bouwverordening). In dit geval was dat niet gebeurd. Ook ten aanzien van het parkeeraspect sneuvelt het plan.

Afdeling bestuursrechtspraak geeft college over planschade

3 oktober, 2016 | geen reacties

 In een uitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) geeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een overzicht op hoofdlijnen van haar eerdere rechtspraak over tegemoetkoming in planschade. Het gaat om kwesties die zich in de praktijk van het planschaderecht veelvuldig voordoen. Denk daarbij aan de te maken planologische vergelijking, de invulling van het begrip ‘normaal maatschappelijk risico’ en allerlei procedurele aspecten. Met deze uitspraak wil de Afdeling tegemoet komen aan een in de (rechts)praktijk levende behoefte. Dit bruikbare naslagwerk zal door de praktijk zeker worden toegejuicht.

Voldoen aan geluidsnorm betekent niet automatisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat

3 oktober, 2016 | geen reacties

Als aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan betekent dat niet automatisch dat geen sprake kan zijn van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Dit vergt een afzonderlijke beoordeling. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2466). In die zaak overweegt de Afdeling dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de invloed van de geluidsproductie van de exploitatie van een sporthal op de woon- en leefsituatie in de omgeving. Dat aan bepaalde geluidsnormen wordt voldaan maakt dat niet anders.

 

Page 1 of 212»