Berichten in september

Parkeren bij hotel met restaurant: 400 meter is redelijke loopafstand

2 september, 2016 | geen reacties

 

Het voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij het vaststellen van een bestemmingplan blijft de gemoederen bezig houden. Zo ook in een zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2326).

In die zaak gaat het om de herontwikkeling van het Opusgebouw, een voormalige meisjesschool in Nijmegen, tot een hotel van 105 kamers met bijbehorende horecagelegenheid. De vereniging van eigenaren (VvE) van een nabijgelegen flatgebouw stelt beroep in tegen het voor de herontwikkeling vastgestelde bestemmingsplan. De VvE maakt zich met name zorgen over de gevolgen voor de parkeergelegenheid ter plaatse van de woningen van haar leden. Zijn deze zorgen terecht?

Nee, aldus de Afdeling. Op basis van Nijmeegse beleidsregels zijn voor het plan 84 parkeerplaatsen voor bezoekers en 21 parkeerplaatsen voor het personeel benodigd. De hoofdregel is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt, maar het gemeentebestuur kan ontheffing verlenen om de extra parkeerdruk op de openbare weg op te vangen. Voorwaarde is dan wel dat binnen een redelijke loopafstand voldoende ruimte op de openbare weg aanwezig is. Op basis van de gemeentelijke beleidsregels geldt in zijn algemeenheid dat een redelijke loopafstand nooit meer dan 750 meter kan zijn. In dit geval kunnen slechts 7 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, voor de overige 98 dient te worden uitgeweken naar de openbare ruimte.

Uit parkeeronderzoek blijkt dat er bij de hoogste parkeerbezetting nog ongeveer 785 parkeerplaatsen op de openbare weg leeg staan. Daarbij is uitgegaan van een onderzoeksgebied van 400 meter hemelsbreed van het Opusgebouw. Gezien het aantal benodigde parkeerplaatsen (98), dat fors lager is dan de beschikbare openbare parkeerplaatsen (785), kan volgens de Afdeling in de openbare ruimte binnen redelijke loopafstand in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien. Gelet op diezelfde aantallen acht de Afdeling ook niet aannemelijk dat de leden van de VvE hun auto op hun beurt niet meer binnen een redelijke loopafstand van hun woonomgeving kunnen parkeren.

Kortom: in dit geval wordt 400 meter lopen van de auto naar het hotel geacht binnen een redelijke loopafstand te zijn.

Flexibiliteit in bestemmingsplannen: algemene verwijzing naar nota parkeernormen niet in strijd met rechtszekerheid

2 september, 2016 | geen reacties

Zoals bekend is het op basis van het per 1 november 2014 gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) mogelijk om een flexibele regeling voor parkeren op te nemen in het bestemmingsplan (Stb. 2014, nr. 333). Een bestemmingsplan kan vanaf dat moment regels bevatten waarvan de uitleg bij het gebruik van een bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels.

De gemeenteraad van Midden-Delfland heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan “Harnaschpolder-Noord 2014” van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Het plan voorziet onder andere in de vestiging van een bouwmarkt. In de planregels is bepaald dat voor de gronden van het plan de parkeernormen zoals opgenomen in de “Nota Parkeernormen Midden-Delfland” van toepassing zijn.

Diverse partijen hebben ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ beroep tegen het bestemmingsplan ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Een aantal van hen is van mening dat met de enkele verwijzing naar de nota parkeernormen in de planregels niet geborgd is dat bij een nieuwe ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Bovendien is volgens hen niet duidelijk welke versie van de nota van toepassing is.

De Afdeling gaat niet mee in dat betoog, zoals blijkt uit een uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316). De Afdeling stelt vast dat de raad met de planregel heeft beoogd om te bepalen dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen wat betreft de parkeerbehoefte wordt getoetst aan de “Nota Parkeernormen Midden-Delfland”, zoals die luidt op het moment waarop wordt beslist op de aanvraag. Naar het oordeel van de Afdeling is de formulering van de planregel wat dit betreft toereikend en niet in strijd met de eisen van de rechtszekerheid.

Sluiting pizzeria en 30 ontslagen: geen reden om van handhaving af te zien

2 september, 2016 | geen reacties

Aan de Houtmarkt in Deventer wordt een vestiging van de bekende bezorgketen New York Pizza Delivery geëxploiteerd. Deze bevindt zich op de begane grond van een appartementencomplex. Volgens een aantal omwonenden leidt de pizzabroodlucht tot onaanvaardbare geurhinder. Zij vragen de gemeente om daartegen handhavend op te treden. Naar aanleiding daarvan legt het college van burgemeester en wethouders aan de exploitant van de pizzeria een last onder dwangsom op van € 50.000,–. Dit bedrag wordt vervolgens ook ingevorderd.

De pizzeria voert onder meer aan dat handhaving in dit geval onevenredig is. Volgens haar staat de door de omwonenden ervaren geurhinder niet in verhouding tot de gevolgen van handhaving, namelijk sluiting van de zaak en 30 werknemers die op staat komen te staan. Daarom zou in dit geval van handhaving moeten worden afgezien. Gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) daarin mee?

Nee, aldus de uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2222). Allereerst overweegt de Afdeling dat de dwangsom terecht is opgelegd. Daarbij is (onder meer) van belang dat de pizzeria niet over een doelmatige ontgeuringsinstallatie beschikt. Dat is in strijd met de regels uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.

Volgens vaste rechtspraak moet in beginsel handhavend worden opgetreden als sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het gemeentebestuur worden gevergd dit niet te doen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer handhaving in een bepaald geval zo onevenredig is in verhouding tot het belang bij handhaving, dat daarvan behoort te worden afgezien.

In dit geval acht de Afdeling handhaving niet onevenredig. De stelling van de pizzeria dat de ervaren geurhinder niet in verhouding staat tot sluiting van de zaak, volgt de Afdeling niet. Daarbij is voor de Afdeling van belang dat de geurhinder die de pizzeria veroorzaakt onaanvaardbaar is. Bovendien noodzaakt de last onder dwangsom niet tot sluiting van de pizzeria, maar houdt deze in dat de pizzeria geuroverlast moet voorkomen. Dit zijn twee verschillende dingen. Met andere woorden: de (mogelijke) sluiting van de pizzeria met daarbij behorende personele consequenties had niet het gevolg hoeven zijn van de last onder dwangsom. Dat de pizzeria het zover heeft laten komen komt voor zijn eigen rekening en risico.

Ook het betoog van de pizzeria dat de dwangsom van € 50.000,– onredelijk hoog is slaagt niet. De financiële omstandigheden tot wie de last is gericht, zoals het bedrijfsresultaat, zijn niet bepalend voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Het gaat om de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging (ECLI:NL:RVS:2003:AN9765).