Berichten in april

Aanvragen van faillissement en de steunvordering

21 april, 2015 | geen reacties

Een niet-betalende klant: (bijna) iedere ondernemer heeft er mee te maken. Meerdere scenario’s zijn denkbaar om een vordering alsnog te innen. Van het vriendelijke overleg en het treffen van een afbetalingsregeling tot het minder vriendelijke incassokortgeding, eventueel voorafgegaan door het leggen van beslag op eigendommen en rechten van uw schuldenaar. In het uiterste geval kunt u het faillissement van uw schuldenaar aanvragen. Wat is daarvoor nodig?

Volgens de Faillissementswet moet de rechter het faillissement uitspreken, indien zonder uitgebreid onderzoek blijkt dat een schuldenaar “in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen”. De aanvrager moet daarvoor op zijn minst aantonen dat de schuldenaar meerdere vorderingen onbetaald laat, de zogenaamde ‘pluraliteit van schuldeisers’. U heeft hiervoor dus een steunvordering nodig, een vordering van een derde partij op uw schuldenaar.

Komt iedere vordering in aanmerking als steunvordering? Hierover is in de loop der jaren veelvuldig geprocedeerd. Uit rechtspraak blijkt dat achtergestelde vorderingen slechts onder bijzondere omstandigheden als steunvordering kunnen dienen en dat schulden die blijken uit de jaarrekening van de schuldenaar geen steunvordering opleveren. Aan de andere kant hoeft een steunvordering niet opeisbaar te zijn en is het niet nodig dat de omvang van die vordering vaststaat. Een steunvordering hoeft zelfs geen betrekking te hebben op de betaling van geld.

De jurisprudentie op dit rechtsgebied is constant in beweging. In een recente kwestie wilde een schuldeiser het faillissement uitlokken van een eigenaar en verhuurder van een flatgebouw. Als steunvordering deed hij onder meer een beroep op vorderingen van de huurders op de verhuurder (i) tot het verschaffen van huurgenot en (ii) tot het verrichten van onderhoud. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde vorderingen in principe wel als steunvordering kunnen dienen. Echter, niet in dit geval. In de eerste plaats hadden de huurders reeds het huurgenot en dus geen vordering op de verhuurder. Daarnaast bleek niet dat er sprake was van achterstallig onderhoud, zodat het onzeker was dat deze vordering tot het uitvoeren van onderhoud daadwerkelijk zou ontstaan. Zo’n toekomstige vordering kan niet als steunvordering dienen.

Zo blijkt maar weer dat het begrip steunvordering betrekkelijk ruim wordt opgevat in de rechtspraak. Een onzekere toekomstige vordering gaat echter te ver.

 

 

 

 

Aansprakelijk voor schulden van uw zakenpartner?

17 april, 2015 | geen reacties

Als u van plan bent om in zee te gaan met een zakenpartner, is het uiteraard altijd verstandig om goed na te denken over de gewenste vorm van samenwerken. Richt u bijvoorbeeld een BV op of gaat u liever een contractueel verband aan zoals een maatschap, een vennootschap onder firma (vof) of commanditaire vennootschap (cv)? Vooral indien u als vennoot wilt toetreden tot een bestaande vof of cv, dient u door een recente uitspraak van de Hoge Raad uitermate alert te zijn op de risico’s die daaraan kleven.

De vof en de daarmee verwante cv zijn in de praktijk veel voorkomende rechtsvormen waarbij meerdere (rechts)personen op contractuele basis bedrijfsactiviteiten uitoefenen onder een gemeenschappelijke naam en net een afgescheiden vermogen. Iedere (beherend) vennoot is hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de vennootschap. Schuldeisers van een vof/cv kunnen zich verhalen op zowel het afgescheiden vennootschapsvermogen als het privévermogen van iedere vennoot.

Tot op heden was onduidelijk of de aansprakelijkheid van een toetredende vennoot in een vof/cv beperkt was tot alleen die schulden van de vof/cv die zijn ontstaan na diens toetreden. Er zijn meerdere rechterlijke uitspraken geweest die in die richting wezen en de meeste rechtsgeleerden gingen daarin mee, maar de wet gaf geen uitsluitsel. Een wetsvoorstel die een eind aan deze discussie zou maken is na een lange discussie weer ingetrokken.

Nu is er dan eindelijk duidelijkheid. De Hoge Raad heeft voor het eerst uitgemaakt dat de aansprakelijkheid van een later toegetreden (beherend) vennoot van een vof/cv ook ziet op verplichtingen van die vennootschap die al vóór diens toetreden bestonden. De schuldeisers van de vof/cv krijgen er dus een debiteur bij en worden door uw toetreden in een betere verhaalspositie gebracht!

Wat kunt u doen?

In het algemeen is het aan te raden om bij een samenwerking te kiezen voor een nieuw op te richten entiteit of contractueel verband. Mocht u desondanks overwegen als (beherend) vennoot toe te treden tot een bestaande vof/cv, dan heeft de Hoge Raad enkele tips voor u. U kunt bedingen dat u volledige inzage krijgt in de schuldenpositie van die vof/cv of dat u in de gelegenheid wordt gesteld daarnaar zelf onderzoek te doen. Indien uw boekenonderzoek daartoe aanleiding geeft, kunt u vervolgens garanties en vrijwaringen van uw zakenpartner vragen. Deze afspraken bieden geen verweer tegen ‘oude’ vennootschapscrediteuren die bij u aankloppen, maar geven u de mogelijkheid om verhaal te halen bij uw zakenpartner.

Bedrijfsruimte Huurrecht, contractuele bestemming onmogelijk, gebrek of niet?

17 april, 2015 | geen reacties

Huurder is voornemens om een supermarkt te gaan exploiteren en sluit daartoe een huurovereenkomst. Na het sluiten van de huurovereenkomst dient de huurder bij de gemeente een conceptaanvraag in voor een omgevingsvergunning. Deze is noodzakelijk voor de realisatie van de supermarkt. De gemeente wijst de conceptaanvraag af.  De huurder wil vervolgens van de huurovereenkomst af, ontbindt deze buitengerechtelijk en vordert terugbetaling van de reeds betaalde huurprijs. De huurder is van mening dat sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW. Is dat wel zo? In 2013 doet de kantonrechter van de rechtbank in Noord-Holland uitspraak, begin dit jaar het Gerechtshof in Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2015:136).

Het Gerechtshof dient de vraag te beantwoorden of het gehuurde aan huurder het genot kan verschaffen dat huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten nu huurder in het gehuurde geen supermarkt kan exploiteren. Daarbij is relevant dat verhuurder op basis van de huurovereenkomst (met name artikel 1.1) het gehuurde als bedrijfsruimte heeft verhuurd en huurder de daarvoor vereiste ontheffingen en vergunningen moet kunnen verkrijgen en behouden. Los van de voorgenomen bestemming als supermarkt.

In deze uitspraak komt dan ook het onderscheid tussen het object van de huurovereenkomst dat door de verhuurder ter beschikking moet worden gesteld, een bedrijfsruimte, en de contractuele bestemming die de huurder daaraan moet geven, een supermarkt, aan de orde. Indien huurder het gehuurde kan gebruiken voor hetgeen in artikel 1.1 van de huurovereenkomst is opgenomen, is geen sprake van een gebrek. De verhuurder is daarmee verantwoordelijk voor de vergunningen voor het gebruik als bedrijfsruimte. Huurder is verantwoordelijk voor het gebruik van het huurder conform de contractuele bestemming, in dit geval als supermarkt. Achterliggende gedachte is dat verhuurders bekend zijn met de vergunningseisen die aan hun bedrijfsruimte worden gesteld en huurders met de vergunningseisen die aan hun bedrijf worden gesteld.

De kantonrechter en het Gerechtshof concludeerden dan ook beiden, dat huurder verantwoordelijk is voor het verkrijgen van de benodigde vergunning voor de exploitatie als supermarkt. Er is geen sprake van een gebrek, met als gevolg dat de huurovereenkomst niet zonder meer ontbonden kan worden en huurder de reeds betaalde huurprijs terugbetaald krijgt.

 

Overgangsregeling voor transitievergoeding

10 april, 2015 | geen reacties

Er is een overgangsregeling aangenomen voor de transitievergoeding om te voorkomen dat tijdelijke werknemers zoals seizoenwerkers in de horeca, recreatie maar ook in de tuin(bouw) sector niet opnieuw ingehuurd worden en werkgevers met andere tijdelijke werknemers aan de slag gaan. Het zou een onbedoeld en onwenselijk effect zijn van de regeling voor de transitievergoeding, zodat aanpassing noodzakelijk was.

Vanaf 1 juli 2015 hebben tijdelijke werknemers recht op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst tenminste 24 maanden heeft geduurd en deze niet wordt verlengd door de werkgever. De hoogte van deze transitievergoeding wordt in het oorspronkelijke voorstel bepaald door de gewerkte perioden van voor
1 juli 2015 (de ingangsdatum van het nieuwe ontslagrecht). De transitievergoeding bedraagt daarbij een derde maandsalaris per gewerkt jaar bij een dienstverband tot 10 jaar en een half maandsalaris per gewerkt jaar voor ieder jaar dat het dienstverband langer heeft geduurd dan 10 jaar. De maximum  transitievergoeding bedraagt € 75.000,- bruto of een jaarsalaris bij een hoger inkomen dan de genoemde € 75.000,- bruto.

Voor het bepalen van het recht op en de hoogte van de transitievergoeding tellen arbeidsovereenkomsten die elkaar met een tussenpoos van maximaal 6 maanden hebben opgevolgd mee, ook voor de perioden gelegen voor 1 juli 2015. De perioden gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten tellen echter niet mee voor het bepalen van de periode van 24 maanden.

Er was in eerste instantie geen overgangsrecht voorzien op dit punt. Echter vanwege de onbedoelde effecten (met grote gevolgen voor werknemers en werkgevers in het bijzonder de seizoensarbeid) heeft minister Asscher dan ook een aantal maatregelen moeten nemen. Hij heeft daartoe overigens geconcludeerd dat het niet wenselijk is het treffen van maatregelen te beperken tot bepaalde sectoren waar de problemen het grootste zouden zijn. Het overgangsrecht geldt dus voor iedereen en alle sectoren!

De maatregelen zijn:

1. Uitstel van het verschuldigd zijn van een transitievergoeding

De werkgever is (nog) geen transitievergoeding verschuldigd zou zijn als hij de werknemer de garantie heeft geboden dat hij binnen 6 maanden weer bij hem aan de slag kan. Die garantie bestaat uit een nieuwe (tijdelijke of vaste) arbeidsovereenkomst die ingaat binnen 6 maanden waarop de tijdelijke arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. Op deze manier wordt voorkomen dat een werkgever direct na het eindigen van een tijdelijke arbeidsovereenkomst de transitievergoeding verschuldigd is en wordt aan de werknemer zekerheid geboden dat het dienstverband (op termijn) wordt voortgezet.
2. Overgangsrecht

Bij het bepalen van het recht op en de hoogte van de transitievergoeding dienen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die voor 1 juli 2012 zijn geëindigd niet mee te worden geteld. Overigens geldt dit alleen als deze overeenkomsten elkaar met een onderbreking van meer dan 3 maanden hebben opgevolgd.

Ook geldt dat als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op of na 1 juli 2015 wordt aangegaan, voorafgaande arbeidsovereenkomsten die voor die datum zijn geëindigd niet worden meegeteld, als deze arbeidsovereenkomsten onderbroken zijn geweest met een periode langer dan 3 maanden. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt daardoor min of meer uitgeruild tegen de opbouw van een transitievergoeding over deze periode.

Wilt u weten wat deze wetswijziging voor uw organisatie of u betekent of heeft u andere vragen over de Wet Werk en Zekerheid? Neemt u dan vooral contact op met ons!

suske