Robers Advocaten. Maakt ondernemen gemakkelijker.

Update Wetsvoorstel transitievergoeding bij ontslag

28 maart, 2017 | geen reacties

Op vrijdag 24 maart jl. is het wetsvoorstel ‘transitievergoeding bij ontslag’ bij de Tweede Kamer ingediend. Daarmee is ook het advies van de afdeling Advisering van de Raad van State van 23 januari 2017 over dit wetsvoorstel openbaar geworden.

Aanleiding

Sinds 1 juli 2015 geldt de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Deze wet maakt (onder andere) dat de werkgever die een arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen met een werknemer die gedurende twee jaar arbeidsongeschikt was, ook een transitievergoeding dient te voldoen. Dat geldt namelijk voor alle werknemers met een arbeidsovereenkomst van 24 maanden of meer.

Inhoud wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel, dat zou moeten gaan terugwerken tot 1 juli 2015, zorgt ervoor dat de kosten van de transitievergoeding bij ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid niet langer voor rekening van de individuele werkgever komen. Men wel hiermee een einde maken aan de cumulatie van financiële verplichtingen voor de werkgever.

Advies Raad van State

De Raad van State vraagt zich echter af waarom er niet voor gekozen is om terug te keren naar de situatie van vóór de WWZ, namelijk geen (transitie)vergoeding bij een dergelijk ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid. Ook wordt de cumulatie van kosten bij de werkgever op de voorgestelde wijze niet weggenomen, maar uitsluitend verdeeld over alle werkgevers.

Waarom is er ook geen aandacht besteed aan alternatieven? Denk aan de aanpassing van het recht op loondoorbetaling bij ziekte… Bovendien lijkt er, aldus de Raad van State, een wetsvoorstel voorgelegd te worden met grote uitvoeringskosten en een grote hoeveelheid arbeid voor het UWV, nu zij de regeling zullen moeten gaan uitvoeren.

Kortom: de Afdeling Advisering van de Raad van State adviseert op dit moment dan ook om de thans voorgestelde vergoedingsregeling te heroverwegen.

Dwangsom voor eet- en drinkgelegenheid in winkel

17 maart, 2017 | geen reacties

Een kopje koffie drinken in een kledingwinkel of lunchen in de bibliotheek. Het is vandaag de dag geen uitzondering meer. Dit fenomeen wordt ook wel ‘blurring’ (in het Engels letterlijk: vervaging) genoemd. Het is de term voor het mengen van verschillende functies, zoals horeca, detailhandel, cultuur, ontspanning of dienstverlening. Voor ondernemers zijn dit interessante concepten. Niet alleen wordt de consument langer gebonden aan de zaak en daarmee de omzet verhoogd. Ook past dit binnen de huidige trend van de consument die op zoek is naar ‘beleving’.

Echter, het mengen van verschillende functies is lang niet in alle gevallen toegestaan. Dat komt omdat de innovatieve concepten relatief nieuw zijn en bestaande wet- en regelgeving daarop veelal (nog) niet is ingericht. Lokale regelgeving die roet in het eten kan gooien is het bestemmingsplan. Met name oudere bestemmingsplannen laten het mengen van functies niet toe. Dan is het oppassen geblazen: als het concept in strijd is met het bestemmingplan, dan is het gemeentebestuur bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.

Zo ook in een zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:654). Daarin was door de gemeente Amsterdam aan een winkelondernemer een last onder dwangsom opgelegd. In de winkel werden niet alleen vintage design meubels verkocht, maar werd ook koffie geschonken en werden maaltijden aangeboden. Een gemeentelijke toezichthouder had geconstateerd dat er vijf tafels met twintig stoelen aanwezig waren. Dat vond de gemeente Amsterdam teveel. Het horecagebruik moest worden gestaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. De Afdeling bestuursrechtspraak gaf de gemeente Amsterdam uiteindelijk gelijk.

Als het concept van functiemenging niet past binnen het bestemmingsplan, dan is er nog geen man overboord. Er bestaan namelijk verschillende mogelijkheden om van het bestemmingsplan af te wijken. Ook tijdelijk afwijken is mogelijk. Bovendien laten veel nieuwe bestemmingsplannen tegenwoordig binnen de bestemming detailhandel zogeheten ‘winkelondersteunende horeca’ toe. Dit is bij ieder bestemmingsplan echter weer anders.

Tot slot: los van het bestemmingsplan kan ook andere regelgeving een rol spelen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de Winkeltijdenwet, de Drank- en Horecawet en ook de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Mijn tip: mocht u een mengformule overwegen, laat u dan vooraf goed adviseren over de (on)mogelijkheden daarvan. Op die manier kan een handhavingstraject met bijbehorende dwangsommen worden voorkomen.

mr. J. (Jense) Bosma j.bosma@robersadvocaten.nl tel. 074 – 290 91 99

Het ambtenarenrecht op de schop

8 december, 2016 | geen reacties

Het heeft wat voeten in de aarde gehad maar inmiddels is op 8 november 2016 het Wetsvoorstel Normalisering Rechtspositie Ambtenaren door de Eerste Kamer aangenomen. De bedoeling van de wet is om de rechtspositie van de ambtenaren en de andere werknemers zoveel mogelijk gelijk te laten zijn.

Arbeidsovereenkomst!

De ambtenaren hebben straks een arbeidsovereenkomst in plaats van een aanstelling. In plaats van de huidige rechtspositieregelingen, komen er straks ook CAO’s voor de ambtenaren. De huidige aanstelling van een ambtenaar wordt straks omgezet in een arbeidsovereenkomst en nieuwe ambtenaren worden direct op basis van een arbeidsovereenkomst aangenomen. Op al deze arbeidsovereenkomsten is dan ook het “gewone” arbeidsrecht van toepassing in plaats van het huidige bestuursrechtelijk regime.

Ontslagrecht

Dit houdt in dat de overheidswerkgever bij een gewenst ontslag dit ontslag preventief dient voor te leggen aan het UWV, dan wel de kantonrechter. Dat is een enorm verschil met de huidige praktijk waarbij de overheidswerkgever kan volstaan met het (eenzijdig) nemen van een ontslagbesluit. Aan het ontslagbesluit kan bovendien een zogenaamde cocktail van ontgronden ten grondslag liggen. Dat is onder het nieuwe regime niet meer aan de orde. Er moet een redelijke grond zijn voor ontslag.

De ambtelijke status blijft echter ongewijzigd. Iedere medewerker in dienst van de overheid blijft dus ambtenaar en daarvoor gelden nog wel enkele specifieke regels. Denk bijvoorbeeld aan het afleggen van de eed of gelofte. Een aantal ambtenaren zijn uitgesloten van deze wetgeving, namelijk de politie- en defensieambtenaren, de rechtelijke macht, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders. Zij behouden hun publiekrechtelijke aanstelling.

Wanneer?

Overigens is het nog wel onduidelijk wanneer één en ander zijn beslag gaat krijgen. De herziening vraagt namelijk veel aangepaste regelgeving en dat zal de nodige jaren in beslag nemen. Dus wanneer één en ander definitief vorm gaat krijgen is nog niet bekend. Dat wordt op een nadere datum alsnog bekend gemaakt.

Transitievergoeding na 104 weken arbeidsongeschiktheid?! De langverwachte wetgeving?

18 november, 2016 | geen reacties

Zelfs na 104 (!) weken arbeidsongeschiktheid van een werknemer, dient een werkgever op dit moment bij het einde van het contract met deze arbeidsongeschikte werknemer een transitievergoeding te betalen. Niet zo vreemd misschien dat sommige werkgevers hierdoor besloten om de dienstverbanden uitsluitend formeel in stand te laten, zodat ze geen transitievergoeding hoefden te betalen. Het gaat hier om zogenaamde “slapende” dienstverbanden.

 

Minister Asscher heeft in april 2016 aangekondigd dat hij iets zou doen aan deze regelgeving. Dat is inderdaad gebeurd. Er ligt inmiddels een concept wetsvoorstel klaar dat met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 in werking zou moeten treden.

 

Het wetsvoorstel komt er op neer dat een werkgever nog steeds een transitievergoeding dient te voldoen, ook na 104 weken arbeidsongeschiktheid, maar dat de werkgever wordt gecompenseerd voor de kosten van deze transitievergoeding. Deze compensatie wordt door het UWV verstrekt uit het Algemeen Werkeloosheidsfonds (Awf). Hiervoor is wel noodzakelijk dat er een verhoging van de premie plaatsvindt.

 

Het achterliggende idee van het wetsvoorstel is dat een werkgever niet zou moeten worden gestraft door hem én het loon tijdens de ziekte én ook nog eens de transitievergoeding te laten betalen. Het maakt bovendien niet uit hoe de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dat kan uiteraard door middel van een UWV procedure, een procedure bij de rechter, maar ook een vaststellingsovereenkomst is in dat kader voldoende. Wel geldt dat het UWV nooit méér zal vergoeden dan het bedrag waar de werknemer volgens de wettelijke berekening recht op had.

 

De eerste geluiden zijn dat deze wetgeving per 1 januari 2018 een feit zal zijn, maar wel met de genoemde terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. Het is dus van belang om alle administratie met betrekking tot het ontslag van de arbeidsongeschikte werknemer en de te betalen transitievergoeding goed te bewaren.

 

Zodra er meer bekend is over deze wetgeving, zal ik hier in een volgende blog aandacht aan besteden.

Voldoen aan geluidsnorm betekent niet automatisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat

11 oktober, 2016 | geen reacties

Als aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan betekent dat niet automatisch dat geen sprake kan zijn van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Dit vergt een afzonderlijke beoordeling. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2466). In die zaak overweegt de Afdeling dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de invloed van de geluidsproductie van de exploitatie van een sporthal op de woon- en leefsituatie in de omgeving. Dat aan bepaalde geluidsnormen wordt voldaan maakt dat niet anders.

Sluiting pizzeria en 30 ontslagen: geen reden om van handhaving af te zien

11 oktober, 2016 | 1 reactie

Aan de Houtmarkt in Deventer wordt een vestiging van de bekende bezorgketen New York Pizza Delivery geëxploiteerd. Deze bevindt zich op de begane grond van een appartementencomplex. Volgens een aantal omwonenden leidt de pizzabroodlucht tot onaanvaardbare geurhinder. Zij vragen de gemeente om daartegen handhavend op te treden. Naar aanleiding daarvan legt het college van burgemeester en wethouders aan de exploitant van de pizzeria een last onder dwangsom op van € 50.000,–. Dit bedrag wordt vervolgens ook ingevorderd.

De pizzeria voert onder meer aan dat handhaving in dit geval onevenredig is. Volgens haar staat de door de omwonenden ervaren geurhinder niet in verhouding tot de gevolgen van handhaving, namelijk sluiting van de zaak en 30 werknemers die op staat komen te staan. Daarom zou in dit geval van handhaving moeten worden afgezien. Gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) daarin mee?

Nee, aldus de uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2222). Allereerst overweegt de Afdeling dat de dwangsom terecht is opgelegd. Daarbij is (onder meer) van belang dat de pizzeria niet over een doelmatige ontgeuringsinstallatie beschikt. Dat is in strijd met de regels uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.

Volgens vaste rechtspraak moet in beginsel handhavend worden opgetreden als sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het gemeentebestuur worden gevergd dit niet te doen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer handhaving in een bepaald geval zo onevenredig is in verhouding tot het belang bij handhaving, dat daarvan behoort te worden afgezien.

In dit geval acht de Afdeling handhaving niet onevenredig. De stelling van de pizzeria dat de ervaren geurhinder niet in verhouding staat tot sluiting van de zaak, volgt de Afdeling niet. Daarbij is voor de Afdeling van belang dat de geurhinder die de pizzeria veroorzaakt onaanvaardbaar is. Bovendien noodzaakt de last onder dwangsom niet tot sluiting van de pizzeria, maar houdt deze in dat de pizzeria geuroverlast moet voorkomen. Dit zijn twee verschillende dingen. Met andere woorden: de (mogelijke) sluiting van de pizzeria met daarbij behorende personele consequenties had niet het gevolg hoeven zijn van de last onder dwangsom. Dat de pizzeria het zover heeft laten komen komt voor zijn eigen rekening en risico.

Ook het betoog van de pizzeria dat de dwangsom van € 50.000,– onredelijk hoog is slaagt niet. De financiële omstandigheden tot wie de last is gericht, zoals het bedrijfsresultaat, zijn niet bepalend voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Het gaat om de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging

(ECLI:NL:RVS:2003:AN9765).

Page 1 of 812345»...Last »